Moet alles eigenlijk leuk zijn?

Het is dé ziekte van deze tijd. Het idee dat ons leven vooral leuk moet zijn. Alles wordt afgemeten aan de “Vind ik leuk” op facebook of andere social Media. Het doet ons haast vergeten dat juist tegenslag ons zoveel meer kan brengen.

We hebben geen grote hongersnood, geen epidemieën waar hele bevolkingsgroepen aan sterven. We hebben het in onze geschiedenis nog nooit zo goed gehad als nu. Waarom zijn we dan zo aan het klagen? Waarom zijn we zo vermoeid, nemen we zoveel pillen en heeft iedereen wel een of andere diagnose?

We zijn te geobsedeerd met geluk. We zijn te zeer bezig met gelukkig zijn. We willen dat alles leuk, leuk, leuk is. En dat lijkt me een vergissing.

We moeten in dit aardse leven aanvaarden dat het af en toe een klein beetje lastig kan zijn. Een klein beetje, liefst niet te veel. Maar we hebben het moeilijk met de kleine lastigheden van het gewone leven. We lijken niet te kunnen niet accepteren dat het dagelijkse leven af en toe een klein beetje gewoon en een klein beetje verdrietig is.

“We willen zonodig dat alles leuk, leuk, leuk is. Dat lijkt me een vergissing.”

Vroeger konden we uitkijken naar een hemel na dit leven, waar het leven goed zou zijn. Deze hemel is afgeschaft, dat paste niet meer in de begroting. Nu willen wij zonodig de hemel hier. Met onze westerse hoogmoed denken we ook dat we deze hemel kunnen maken, produceren of zelfs kunnen kopen. Dat is een vergissing: geluk is niet te koop. En dit streven naar een onmogelijke regen van geluk zorgt voor veel miserie, depressie en vermoeidheid.

Meestal hebben we nog niet voldoende aan het gewone geluk, maar we willen zonodig fantastisch gelukkig zijn. De meeste mensen willen dat alles ongelofelijk is. Niet zomaar een beetje content, maar fantastisch content. We moeten verre reizen maken. Anders zijn we niet gelukkig.

Hoe kunnen we het rustig aan doen, gewoon doen? Ik pleit voor gewonigheid en het plezier daarin te vinden. Ik pleit niet voor ongelukkigheid an sich, maar voor geluk vinden in het gewone.

Onze maatschappij schiet door in een IK-mentaliteit, in een overgewaardeerd denken van autonomie, van ‘ik kan het helemaal alleen’. Ik pleit ervoor om meer kwetsbaarheid, gevoeligheid en de kleine verdrietigheden met elkaar te delen. Zodat er vanzelf terug meer WIJ komt en we dus ook die dingen des levens terug normaal vinden.

 

“We leven in een samenleving waarin zowel de commerce als de politiek de mens steeds meer beschouwt als niet-rationeel wezen. Als een wezen dat te manipuleren valt.”

We zien steeds meer dat de technische kennis van de mens, van hoe de mens in elkaar steekt en hoe onze hersenen werken, en hoe wij reageren wordt gebruikt om ons een bepaalde richting op te sturen. Denk aan het nudgen wat de overheid tegenwoordig steeds meer doet. Ook met de beste bedoelingen, namelijk dat burgers op tijd hun belastingformulieren invullen, dat ze niet roken op bepaalde plekken.

Denk aan neuromarketing. Reclame is ongeveer zo oud als de wereld, maar de technieken die de reclame tegenwoordig gebruikt, zijn zeer verfijnd geraakt door die nieuwe neurologische kennis om mensen te beïnvloeden. Dat ook daarin de mens steeds minder zelfstandig een subject wordt en steeds meer object. Dat is een van de grote ontwikkelingen die waarschijnlijk niet terug te draaien is. Daardoor krijg je een mensbeeld dat steeds meer uit cijfers en grafieken bestaat. De mens kan heel moeilijk nog gezien worden als een zelfstandig individu dat zelf zijn beslissingen neemt, nadenkt over belangrijke kwesties en vervolgens tot actie overgaat.

Denk niet dat de politiek zulke nieuwe technieken makkelijk zal opgeven. De zelfstandige, autonome mens die bewust nadenkt over de dingen wordt steeds meer een soort fictie. We weten allemaal wel dat wij irrationele wezens zijn, maar we zijn niet gewend in een cultuur te leven die ons beschouwt als irrationele wezens die te manipuleren zijn. En dat is denk ik een groot verschil met vroeger. Het idee van de mens als autonoom wezen dat verlicht is, wordt steeds meer een fictie die we alleen nog maar met de mond belijden. En ook de mensen die iets te verkopen hebben zeggen: JIJ maakt de keuze. JIJ mag beslissen. JIJ mag nadenken. En ondertussen allerlei manieren bedenken om ons in een bepaalde richting te sturen.

Zo wordt ons mensbeeld fundamenteel aangetast. Als je kinderen vraagt om een huis te tekenen, dan zal er bij veel van hen een puntdak op zitten. Bij jou misschien ook wel. Maar welk huis heeft eigenlijk echt nog een puntdak? Zo is het ook met ons mensbeeld. Ons beeld van de mens is nog steeds een weldenkend, rationeel figuur, maar ondertussen heeft onze cultuur diezelfde mens eigenlijk al opgegeven. Want al die sluipwegen in de psyche om de mens te sturen zijn bekend. En dat gebeurt altijd, ik verzeker het je, met de beste bedoelingen.

 

Het is zorgelijk dat het ons op dit moment ontbreekt aan dat wat wij het hardst nodig hebben. Wie we zijn, dat leert de wetenschap. Maar wie we willen zijn, dat is cultuur. Dat is verbeelding. De grote Russische schrijver Tolstoj zei: ‘We hebben eigenlijk niks aan de wetenschap, want de wetenschap zegt ons niet hoe we moeten leven’. Zo streng wil ik niet zijn, maar hoe we moeten leven is inderdaad een vraag die de wetenschap ook niet wil beantwoorden en niet kan beantwoorden.

Het gevaar bestaat dat de taal van de wetenschap, de taal van de cijfers en de grafieken, zo belangrijk voor ons wordt, dat we aan dat andere deel dat Tolstoj benadrukt steeds minder toekomen: hoe je moet leven. En dat steeds meer overlaten aan de statistici of aan de pragmatici. Aan de becijferaars. Dat is een groot gevaar.

Ik wil hier pleiten om de taal die moeilijker vatbaar is, niet te vangen in cijfers. De taal van ons binnenste. In ons hoofd spelen allerlei gevoelens, allerlei subtiliteiten, allerlei nuances zich af. Allerlei tegenstellingen. Tegenstrijdigheden. Om die binnenwereld te behouden tegenover de steeds meer oprukkende taal van de statistiek.

Bron: Dirk De Wachter